In België bedacht men voor het eerst het concept van een centraal oproepnummer voor dringende hulpverlening. Het was de Hasseltse burgemeester Meyers, toen ook minister van binnenlandse zaken, die na een nachtelijke ministerraad moeilijk dringende hulp bij een verongelukte auto kon krijgen. Het oproepnummer diende eenvoudig en niet zoneafhankelijk te zijn. Men koos voor de gratis nummers 900 (voor dringende medische hulp) en 901 (voor dringende politionele hulp). Later wijzigden deze nummers naar respectievelijk 100 en 101.
Dankzij het centraliseren van de dringende hulpvragen en het uniforme oproepnummer voor het hele land, kon er makkelijker en efficiënter een beroep gedaan worden op brandweer, politie en medische hulpverlening.
Een dringende oproep via een alarmnummer komt op een speciale telefooncentrale toe waar opgeleide medewerkers de situatie interpreteren en zelf de meest geschikte hulp naar de plek van de hulpvraag sturen. Dit kan de dichtst bijgelegen brandweer zijn, een ziekenwagen al dan niet vergezeld van een medische urgentiewagen, de politie of een andere speciale eenheid.
Deze centrale coördineert de verschillende hulpverleningsvragen.
Omdat het draaien van het nummer 900 op een telefoon met draaischijf erg lang duurt, werd bij de oprichting van een internationaal alarmnummer voor het nummer 1-1-2 gekozen. 111 is het snelst draaibare driecijferig telefoonnummer, maar om misbruik door kinderen te vermijden die zo'n nummer per ongeluk drukken of draaien, koos men voor het volgende snelst draaibare nummer, 112.
Het driecijferig nummer 112 is ook van kracht voor mobiele telefoons (GSM) en zelfs oproepbaar met GSM's zonder actieve aansluiting.
Het nummer is van kracht in bijna heel Europa